![]()
DE CHINCHILLA
De
chinchilla leefde oorspronkelijk in chili en Peru, in de hoger gelegen delen van
het Andesgebergte. Tegenwoordig is het diertje in de vrije natuur praktisch
uitgestorven.De chinchilla's werden in hun oorspronkelijk leefgebied alleen maar
bedreigd door twee soorten vijanden: roofvogels en indianen.De roofvogels waren
snel genoeg om deze diertjes te vangen en zo dienden ze als lekker hapje.De
indianen aten hun vlees en gebruikten hun pelzen om kleren en dekens te
vervaardigen.Door deze natuurlijke en goed gerichte selectie werd de populatie
toch op peil gehouden.In de 16de eeuw zorgde de verovering van
Zuid-Amerika door de Spanjaarden voor een gevaarlijke bekendheid voor deze
diertjes. De Europeanen verbaasden zich over deze 'wolmuizen'. Schriften en
verslagen uit de zeventiende eeuw maken melding van kolonies van honderden
dieren, die zelfs overdag over de rotshellingen klauterden en bij de ingang van
hun holen lagen te zonnen. Ze schuilden in rotsspleten en grotten. Deze diertjes
waren zodanig weinig schuw dat ze zelfs tussen de benen van de paarden liepen.
De reiziger ter paard kon er binnen enkele dagen duizenden te zien krijgen. Aan
het einde van de 18de eeuw werden de chinchilla's door de jezuïet
Juan Ignazio Molina beschreven. In 1782 gaf hij de chinchilla zijn
wetenschappelijke naam. Zijn dichte, zachte en fijn aanvoelende pels werd in
weinig tijd een gezochte schat voor vele rijke Europeanen. De Spanjaarden
namen de pelzen van gedode dieren mee naar Europa, waar de zeldzame bontsoort al
snel een uiterst kostbare grondstof werd voor de duurste mantels. Er werden voor
dit doel indiaanse chinchillavangers ingehuurd, om daarna deze kostbare
velletjes in Europa in te voeren en ze daar te verkopen. In de negentiende
eeuw waren chinchillapelzen samen met koffie en tabak de belangrijkste
exportproducten van Zuid-Amerika. Rond 1910 waren de chinchilla's bijna totaal
uitgeroeid, waardoor er bijna geen chinchilla's meer werden aangevoerd, de
prijzen schoten omhoog. De chinchilla's die de slachtingen hadden
overleefd waren gevlucht naar onherbergzame gebieden. Alleen de slimste en
schuwste exemplaren bleven over. Maar door de extreme hoge prijzen die aan dit
bont werden gegeven (op tien jaar vervijfvoudigde de prijs van de
chinchillapelzen), werden deze exemplaren toch ook nog bejaagd. Rond 1920
waren er bijna geen wilde chinchilla's meer over. De chinchilla's die overbleven
waren met zodanig weinig dat er geen pelzen meer aangeboden werden, de
chinchillajagers vonden er doodeenvoudig geen meer om op te jagen. De man die de
chinchilla uiteindelijk voor uitsterven heeft behoed was de Amerikaan Ir.
Chapman. Het idee van Molina dat de chinchilla's in gevangenschap gefokt konden
worden werd interessant bevonden en Chapman stuurde een expeditie van zeer
ervaren chinchillajagers op pad om enkele exemplaren levend te vangen. Hij deed
dit enkel uit zakelijke overwegingen maar we kunnen hem toch maar dankbaar zijn
van deze beslissing. Met
veel moeite lukte het de jagers zeventien dieren levend te vangen. De
dieren werden overgebracht naar het zuiden van de Verenigde Staten.
Met de elf chinchilla's die de reis overleefden heeft Chapman een populatie in
gevangenschap weten op te bouwen, hoewel er later mogelijk nog één
gevangengenomen chinchilla aan de groep is toegevoegd. Deze twaalf dieren zijn
dus de voorouders van alle chinchilla's die we tegenwoordig tegenkomen. Het dier
is in eigen land tot bedreigde soort uitgeroepen.
Rasbeschrijving:
Hoewel
er steeds gesproken over dé chinchilla, blijkt uit de literatuur dat er
verschillende (onder)soorten chinchilla's hebben bestaan.
De
koningschinchilla:
de grootste chinchilla met het formaat van een konijn.
Hij
was de favoriet van de bonthandelaars vanwege de grootte van zijn pels. Deze
soort werd dan ook het eerst uitgeroeid.
Van
de kleinere chinchilla (Chinchilla laniger) bestonden
oorspronkelijk twee typen (of ondersoorten):
Het La Plata-type (breedhoofdig), heeft een stompe kop met kleine, ronde oren. Het lijf is compact, de pels dik en wollig, maar niet erg gelijkmatig. De La Plata is licht tot middengrijs van kleur.
Het
Cortina -type (punthoofdig), heeft een spitsere kop, een gestrekter lijf en
langere oren, waardoor hij slanker lijkt. Zijn pels is dunner dan die van de
La Plata, mar ook gelijkmatiger. Dit maakt van hem een goed dier voor de
bonthandel.
De Cortina is duidelijker donkerder dan de La Plata.
Tegenwoordig
bestaan er praktisch geen zuivere exemplaren meer van deze typen. Beide
stammen zijn zo vaak onderling gekruist dat er geen duidelijke verschillen meer
zijn. Toch kunnen we bij zekere chinchilla's soms een duidelijk verschil
zien in type, wat bewijst dat deze dieren terugkeren naar hun oorspronkelijk
type.
Chinchilla's
behoren tot de orde van de knaagdieren en vormen een aparte familie, samen met
onder andere de degoe.
Er
zijn verschillende kleuren ontstaan in gevangenschap bij onze chinchilla's door
het steeds verder intelen omwille van de pelskwaliteit.
Dit zijn de actueel bekende kleuren:
| Standaard | Rosé | Ebony black, brown en pastel |
| Wit | Beige | Blue steel |
| Zilver en zilver violet, zilver ebony, | Blond | Saffier |
| Platina | Pastel | |
| Bont | Violet |
Er
zijn ook mutaties in haarstructuur opgetreden. Doordat men steeds de dichtste
pelzen nastreeft, zijn de zgn. Velvets (fluweel) en Ultra's (nog iets dichter)
ontstaan. Deze haarstructuren kunnen in de diverse kleuren voorkomen. De
velvet dieren hebben een zeer diepe dekkleur door de vele haren, en een witte
buik zoals de standaard dieren.
Eigenschappen:
De
chinchilla is het enige zoogdier ter wereld waarbij meerdere haren uit één
haarwortel groeien: uit elke wortel maar liefst 40 tot 120 haren! Dit
maakt de pels zo zacht en dicht, en zorgde bijna voor de totale verdwijning van
de soort door de interesse van de bonthandel... Door deze dichte pels zien de
dieren er uit als een pluchen speelkameraad, maar ze zijn echter niet altijd zo
ingesteld
Door de jarenlange fok in gevangenschap is de chinchilla wel
enigszins vertrouwd geraakt met de mens, maar is in ieder geval nog steeds niet
volledig gedomesticeerd. Het is dus nog steeds geen gemakkelijk huisdier
dat zich alles laat welgevallen en dat door iedereen kan gehouden worden.
Indien men veel met de dieren bezig is, kan men ze leren van regelmatig in
de huiskamer rond te lopen en achteraf vrijwillig in hun kooi terug te keren.
Opletten echter: het zijn knaagdieren en hebben een voorliefde voor
snoeren, zodat menig chinchilla de dood vond door elektrocutie...
Deze
dieren vereisen een zeer kalme huisvesting en een speciale voeding. Ze
komen uit een koude en droge streek, wat maakt dat ze zeer gevoelig zijn aan
darmstoornissen, zowel verstopping als diarree. Ze mogen geen te nat
voedsel hebben zoals sla en dergelijke meer, wat onvermijdelijk de dood tot
gevolg zou hebben. Het meest aangewezen is een uitgebalanceerde
korrelvoeding, met een aanvulling van gedroogd fruit en enkele granen. Zeker
onmisbaar is het regelmatig verstrekken van hooi, goed droog en van een goede
kwaliteit. Om in de vitaminebehoeften te voldoen kan men ook regelmatig
eens enkele rozenbottels of een stukje appel geven, wat de dieren graag lusten.
De chinchilla is niet zo gemakkelijk te fokken. Om aan
jongen toe te komen is een eerste vereiste een kalme omgeving. Mannetjes
en vrouwtjes kunnen gerust samen in een kooi gehouden worden, maar de dames
dragen in dit geval wel steeds de broek... Indien men ze wil bij elkaar
zetten voor de paring, wordt de vrouw steeds in de kooi van de man geplaatst,
niet omgekeerd dit om, wegens de vrouwelijke dominantie, zware gevechten te
vermijden. Indien Mevrouw en Mijnheer niet zo goed blijken op te schieten,
plaatst men het meest dominante dier in een gazen kooitje apart in de grote
kooi, zodat de dieren elkaars geur kunnen leren kennen. Na een nacht wordt
geprobeerd de dieren 's morgens, wanneer ze minst actief zijn, bij elkaar te
zetten. Dit proces kan tot een week duren, dus heb geduld...
Indien
de paring geslaagd is, komen de een tot vier jongen ter wereld na gemiddeld 111
dagen. Bij meer dan drie jongen komen er meestal problemen met
melkproductie voor, zodat er meestal een of meer van de jongen sterven.
Tot drie jongen worden relatief gemakkelijk opgevoed. Na ongeveer 6
- 8 weken mogen ze van de moeder weg. Bij het fokken moet wel rekening
worden gehouden dat deze soort vrij gevoelig is aan deficiënties door inteelt,
zodat het wenselijk is regelmatig eens van man te veranderen en de jongen zo
weinig mogelijk met hun ouders te paren.
Door de diverse kleurmutaties zijn er ook lethaalfactoren
ontstaan die ervoor zorgen dat bepaalde kleuren of haarstructuren niet bij
elkaar gekruist kunnen worden. Dit is het geval met Velvet en met Wit.
Dus nooit twee Velvets of twee Witte dieren met elkaar zetten om te
fokken, dit leidt toch niet tot levensvatbare jongen.
Ondanks de problemen voor onderhoud en fok blijft de chinchilla een fascinerend dier om in huis te hebben. Men moet er wel rekening mee houden dat deze mits een goede verzorging je gezel wordt voor 14 - 20 jaar...